De
commissie speelfilm bestaat uit ten minste drie leden en adviseert het bestuur over de aanvraag.
Het fonds streeft naar continuïteit in de samenstelling van de commissie wanneer het gaat over projecten die al eerder zijn behandeld.
De commissie wordt voorgezeten door het Hoofd speelfilm. Deze heeft echter geen stemrecht. Zij vat de aanvraag in een memo samen aan de hand van de geschiedenis en achtergrond van het project, de staat van dienst van producent en regisseur, de rolverdeling (voor zover aanwezig), marktpartijen en financieringsplan, budget en de evaluatiecriteria.
Elk project wordt uitvoerig puntsgewijs behandeld, waarbij gestreefd wordt naar een eensluidend advies. Indien dit niet mogelijk blijkt, wordt de mening van de meerderheid als leidraad gebruikt voor het advies.
Bij een realiseringsaanvraag worden de makers in de gelegenheid gesteld hun aanvraag mondeling toe te lichten.
Om te beoordelen of het project in behandeling wordt genomen vormt de staf zich een oordeel over de aanwezigheid van drie van de zeven culturele kenmerken en over de maximale staatssteun.
Naar aanleiding van de vergadering wordt er een concept bestuursbesluit geformuleerd. Dit is overeenkomstig de eisen die daaraan worden gesteld door de Algemene wet bestuursrecht en wordt voorgelegd aan het bestuur. Deze kan het concept overnemen (toekennen), terugverwijzen, niet toekennen of aanhouden.
Beoordelingskader
• Originaliteit en authenticiteit scenario (kwaliteit scenario);
• Soliditeit en uitvoerbaarheid van het filmplan (o.a. regievisie, genre, visuele elementen, titel, toelichting producent, cast, crew, budget, financiering, promotie & marketing plan, distributeur, financiële inspanning marktpartijen, artistieke en/of commerciële potentie);
• Staat van dienst en vakmanschap regisseur en staat van dienst en vakmanschap producent;
Andere aandachtspunten
- Een regisseur kan nooit betrokken zijn bij meer dan twee realiseringssubsidieverleningen, waarvoor nog geen uitvoeringsovereenkomst is afgesloten. Een derde subsidieverlening is mogelijk indien een van de twee eerdere verleningen is omgezet in een uitvoeringsovereenkomst. Met andere woorden een voorlopige verlening is omgezet in een definitieve subsidieverlening, waarmee vaststaat dat de film gefinancierd is en gemaakt zal worden (art 4 Uitvoeringsregeling).
- Er is geen vast percentage bestedingsverplichting meer. Dit zal per project worden vastgesteld in fase 2 (art 7 Uitvoeringsregeling)
- Uitvoeringsovereenkomst: De aanvrager heeft een periode van maximaal twaalf maanden na verlening om de stukken te leveren voor het maken van de uitvoeringsovereenkomst met het Filmfonds. Deze periode kan met zes maanden verlengd worden, na tijdige ontvangst (binnen de periode van twaalf maanden) van een gemotiveerd verzoek daartoe. Een eventuele verlenging is ter beoordeling aan het Fonds. Na achttien maanden zal het besluit tot subsidieverlening worden ingetrokken (art 29 en 30 Uitvoeringsregeling).
- Projecten zullen achteraf worden geëvalueerd aan de hand van de criteria zoals vastgesteld in het aanvraagformulier en, eventueel, herzien tijdens het preproductiegesprek. Dit zal, vanwege praktische redenen, vaak samenvallen met de zogeheten de-brief van de marketingadviseur van het Fonds, voor zover deze bij het project betrokken is.
Op het aanvraagformulier dient te worden aangegeven welke soort film de aanvrager voor ogen heeft. Het beoordelingstraject is opgedeeld in twee fasen, waarbij de aanvrager in de eerste fase basisinformatie verstrekt.
Procedure in twee fases
Fase 1
- De commissie adviseert over de inhoudelijke kwaliteit en weegt de hoogte van de gevraagde subsidie. Hoge aanvraag: grote kwaliteit (prijs/kwaliteit). De aangevraagde bijdrage dient in overeenstemming te zijn met en in verhouding te staan tot de kwaliteit van het ingediende filmplan. De commissie adviseert niet over de exacte hoogte van de subsidie maar geeft wel een indicatie.
- Het bestuur neemt een besluit, het advies gaat naar de aanvragers (samen met de beoordeling staat van dienst van de makers):
Toewijzing
1. Kennisgeving van advies naar aanvragers
2. Bestuur mandateert directie om een bedrag toe te kennen.
Vaststellen hoogte toekenning in fase twee.
Aanhouden (in uitzonderlijke gevallen) of
Besluit tot niet toewijzing
Duur fase 1: zes tot acht weken.
Fase 2
- makers leveren volledig aanvraagdossier fase 2 nadat een toekenningsgesprek na de fase 1 toekenning met hoofd speelfilm en projectbegeleider is gevoerd.
- indien in fase 1 een lagere bijdrage is toegekend dan is aangevraagd, kan de producent in overleg een voorstel voor de definitieve hoogte van de bijdrage doen. Dit bedrag kan niet hoger zijn dan het oorspronkelijk aangevraagde bedrag.
- wijkt dit voorstel meer af dan € 100.000 van het geadviseerde bedrag in fase 1, van volgt nieuwe toetsing door het bestuur op grond van motivatie van directie/staf.
- na vaststelling van het bestuur volgt de definitieve toekenningsbrief.
Duur fase 2: maximaal drie maanden. De aanvrager is verantwoordelijk voor tijdige aanlevering van informatie. Bij overschrijding van de tijdslimiet van drie maanden volgt een besluit tot niet toewijzing.
Aanvraag fase 1
- Urgentie van het filmproject. De aanvrager geeft aan waarom deze film nu gemaakt moet worden, voor wie hij bedoeld is en wat er zo bijzonder aan is dat er een realiseringssubsidie aan moet worden verleend?
- Premisse. Hierbij geeft aanvrager in één à twee zinnen aan wat de grondgedachte of het uitgangspunt van de film is (bijvoorbeeld 'Ware liefde laat zich niet ontkennen').
- Culturele criteria. De aanvrager motiveert waarom de door hem aangevoerde culturele criteria van toepassing zijn.
- Soort film. De aanvrager geeft aan om welke soort film het gaat: een bioscoopfilm ‘die door zijn kunstzinnige karakter mogelijk bestemd is voor een relatief beperkte doelgroep' of 'die bestemd is voor een breed publiek, mogelijk door zijn toegankelijkheid'. Deze informatie wordt mede gebruikt bij de samenstelling van de commissie.
- Genre. De aanvrager geeft aan om welk
genre het gaat.
- Unieke kenmerken. Indien in de aanvraag een acteur of crewlid wordt aangemerkt als essentieel onderdeel van de aanvraag of indien de commissie een van deze medewerkers als zodanig bestempelt in haar advies, kan een vervanging van deze persoon slechts plaatsvinden na toestemming van het Filmfonds. Andere elementen in de aanvraag waarvoor bij verandering altijd toestemming aan het Filmfonds dient te worden gevraagd, zijn aangegeven met (UK).
- Betrokkenheid commissieleden. De aanvrager geeft aan of een van de commissieleden direct of indirect betrokken is bij het project.
- Mondelinge toelichting aanvragers. Uitsluitend op de dag van en voorafgaand aan de commissievergadering kunnen aanvragers hun aanvraag kort (20 minuten) aan de commissie toelichten.
Aanvraag fase 2
De aanvrager gebruikt het begrotingsmodel van het Filmfonds of een gelijkwaardig model.
- De oorspronkelijke begroting en bijbehorend financieringsplan dienen als uitgangspunt voor de productionele en financiële beoordeling van de aanvraag door het Fonds. De begroting en het financieringsplan kunnen alleen tussentijds bijgesteld worden indien het Fonds daar vooraf mee instemt.
- Het onderdeel producersfee & overhead dient in overeenstemming te zijn met de zogenoemde glijdende schaal zoals aangegeven in het desbetreffende tabblad van de Filmfondsbegroting.
- Er mag een salaris voor de producent worden opgevoerd, bovenop de producersfee & overhead. Dat salaris mag echter niet hoger zijn dan dat van de regisseur en het wordt niet meegenomen in de berekening van de glijdende schaal.
- De aanvrager overlegt in elk geval een dealmemo met de distributeur waarin wordt aangegeven wat de MG zal zijn, tegen welke voorwaarden de film zal worden geëxploiteerd (fees, etc.) en wat de P&A inspanning zal worden. Deze minimale P&A inspanning zal worden vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst met het Filmfonds. In de overeenkomst met de distributeur dient een artikel opgenomen te worden waarbij de vordering op de opbrengsten uit exploitatie worden verpand aan het Filmfonds.
- De aanvrager dient boven een budget van € 2.000.000,- een completion bond af te sluiten. Een voorschot zal pas worden uitgekeerd na ontvangst van een geldende completion bond.
- Na subsidieverlening kan een producent een gemotiveerd verzoek indienen voor een voorschot op de realiseringsbijdrage ten behoeve van de verdere projectontwikkeling van 50.000 euro (75.000 bij een internationale coproductie).
Andere aandachtspunten
1. Minoritaire coproductie: 50% van de van de financiering afkomstig uit het land van de hoofdproducent is aantoonbaar gedekt op het moment van de aanvraag.
2. Producent en regisseur kunnen niet verenigd zijn in één en dezelfde natuurlijke persoon.
3. Regisseur en/of scenarist zijn bij ten hoogste vier projecten tegelijkertijd betrokken waaraan subsidies voor scenario-ontwikkeling is verleend en welke nog niet de maximale bijdrage hebben ontvangen en/of zijn stopgezet (art 4 Uitvoeringsregeling).
4. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ervaren en niet-ervaren scenaristen. Een project met een ervaren scenarist kan ten hoogste € 30.000,- subsidie krijgen. Bij een niet-ervaren scenarist is dat € 15.000. (zie ook toelichting bij ontwikkeling speelfilm via de commissie voor definitie ervaren/ niet ervaren).
5. Regisseur is tegelijkertijd betrokken bij ten hoogste twee projecten waaraan projectontwikkeling- en ten hoogste twee waaraan realiseringsubsidies zijn verleend (art. 4 Uitvoeringsregeling).
6. Geen vast percentage bestedingsverplichting; per project zal vaststelling gebeuren in fase 2.
7. Vaststelling definitieve subsidiebedrag: maximaal 24 maanden na uitbreng met controle voorwaarden. Overschrijding van de toelaatbare maxima voor staatssteun leidt bijvoorbeeld tot lagere subsidievaststelling. Onderbesteding van de productiekosten met minder dan 2,5% van het productiebudget, tot een maximum van € 50.000 leidt niet tot een lagere subsidievaststelling (art. 12 Uitvoeringsregeling).
8. Verleende subsidies voor scenario- en projectontwikkeling worden niet in mindering gebracht op verleende realiseringsubsidies (art. 22 Uitvoeringsregeling)
9. De hoogte van de promotie en marketing wordt in de tweede fase vastgelegd waarbij een minimum geldt van 2 % tot een maximum van € 60.000 (art. 32 Uitvoeringsregeling).
Bezwaar
Het Filmfonds hanteert een bezwaarprocedure. Als een aanvrager het niet eens is met een besluit van het fonds kan deze bezwaar maken en gehoord worden door een externe bezwaarcommissie. Hier vindt u de procedure.
Lees
hier hoe het Fonds met werkkopievertoningen omgaat.